Het debat over AI en cybersecurity gaat vandaag vooral over regelgeving, digitale soevereiniteit en privacy. Begrijpelijk, maar het mist de kern: AI verandert in de eerste plaats de snelheid en schaal waarmee cyberaanvallen worden opgezet. Tegen een tegenstander die op machinesnelheid opereert, volstaat het niet om bestaande verdedigingslinies bij te schaven. We moeten de architectuur van onze netwerken zelf herdenken.
Het probleem zit niet in AI op zich, maar in wat AI doet met de zwakke plekken die al jaren in onze digitale infrastructuur zitten: het maakt ze plots bruikbaar, op schaal, voor iedereen.
Wat ooit een gespecialiseerd team en maanden puzzelwerk vergde, kan vandaag in enkele uren. AI-modellen doorlichten complete codebases en leggen autonoom kritieke kwetsbaarheden bloot. Zero-day-exploits, lang voorbehouden aan natiestaten met diepe zakken, zijn gedemocratiseerd. In 2025 alleen al steeg het aantal DDoS-aanvallen wereldwijd met bijna 200%, gevoed door de combinatie van AI en het almaar uitdijende internet of things.
Kritieke infrastructuur als zwakke schakel
Nergens is de inzet hoger dan in kritieke infrastructuur. Energie, financiën, transport en zorg draaien vaak op decennia-oude systemen, gebouwd om betrouwbaar te zijn, niet om weerstand te bieden aan aanvallen op machinesnelheid. Vervangen of patchen is zelden een optie, terwijl AI-gestuurde code-analyse net daar zero-day-lekken vindt die jarenlang onopgemerkt bleven. Bovendien versterkt AI de aanvaller meer dan de verdediger: die laatste moet élke deur op slot houden, de eerste moet er maar één openkrijgen.
Reactief beveiligen, waarbij we schade beperken en gaten dichten nadat een aanval is ingezet, is in die context dweilen met de kraan open. Wie AI-gedreven aanvallen wil voorblijven, moet het aanvalsoppervlak drastisch verkleinen. En dat begint bij de netwerkarchitectuur.
Onzichtbaarheid als verdedigingsstrategie
Op het traditionele internet is elk eindpunt en elk pad ‘by design’ zichtbaar, precies wat een AI-scanner nodig heeft om een doelwit te identificeren. Een nieuwe generatie protocollen kiest radicaal voor het tegenovergestelde: padbewuste, afgesloten netwerken die organisaties op uitnodiging opzetten. Onzichtbaar en onbereikbaar voor wie er niet hoort te zijn. De logica is even simpel als doeltreffend: wat een AI-agent niet kan vinden, kan hij niet aanvallen.
Dat betekent ook afscheid nemen van het Border Gateway Protocol, al veertig jaar de ruggengraat van het internet, maar notoir gevoelig voor route-kapingen en zonder ingebouwde verificatie. De volgende generatie netwerken zet in op cryptografische padvalidatie, zodat data nooit ongemerkt kan worden omgeleid. Voor kritieke sectoren is zo’n secure-by-design architectuur geen luxe meer, maar een randvoorwaarde om te blijven functioneren.
Cybersecurity is geen IT-kwestie die je kan wegdelegeren binnen je organisatie, maar een zakelijk risico dat vraagt om een grondige herziening van onze digitale architectuur. Wie zijn kritieke infrastructuur wil beschermen, kiest voor onzichtbaarheid als strategie en zet AI in als een schild dat op machinesnelheid meedenkt. En wel vóór de volgende generatie AI-gedreven aanvallers een volgende stap zet.
De auteur Martin Bosshardt is ceo bij Anapaya. Hij schrijft deze opinie uit eigen naam.

